Negen biggen en een vreemde vogel.

Donderdag, 7 mei 2020.

Ik heb slecht geslapen. Eerst is het draaien en draaien, dan krijg ik pijn bij m’n longen en word ik steeds weer wakker. Weet niet goed hoe te liggen. Bij het opstaan heb ik de indruk dat ik te maken heb met een gekneusde rib, al weet ik niet waar ik dat aan zou verdienen. In de loop van de dag echter verdwijnen de pijnen naar de achtergrond en ik besluit toch te gaan zwemmen.

Van Liesje horen we dat ze hier niet komt werken, Leon, haar man, is er op tegen want ‘er is thuis genoeg te doen.

Jammer, maar ze brengt ook verheugend nieuws: Onze zeug, die bij èn door Leon wordt verzorgd heeft gejongd. Een bevalling van 9 kleine biggetjes. Morgenochtend, voordat de zon gaat verzengen, gaan we een kijkje nemen.

Later op de dag speelt m’n rib weer op. Of, wat ook door me heen gaat, er zit een spier enigszins knel. En zo eet ik weer paracetamol.

De calciumtabletten zijn op en de maandelijkse Bonviva is noch in Quezon, noch in Narra te krijgen. Zo blijf ik verstoken van chemische steun, met uitzondering dan van de pijnpillen.

Vrijdag, 8 mei 2020.

Het begin van de nacht was een ramp. Niet wetend hoe te liggen, en toch steeds op m’n linkerzij eindigend. Kreun, kreun. Dan eindelijk, tegen vieren val ik echt in slaap en wordt pas om zeven uur wakker. Met gemak kom ik uit bed en voel dat de pijn is verdwenen. Wat een vreugde. Ik maak koffie en open de gordijnen van de huiskamer.

Buiten zie ik het laag water ver weg van een schoongeblazen, breed en bijna wit strand en ik verlang naar een zwempartij. En weer… heerlijk, helder water met hier en daar een nieuwsgierig visje.

Na het zwemmen, douchen en ontbijt gaan we op weg naar de biggetjes. Ik bij Yofil op de motor achterop en Judy op de motor van JeeBee. Voor de eerste keer zie ik de -mede door ons- aangelegde weg tot aan de brug van de Noordrivier. Achter de rivier komen we bij het huis van Liesje en Leon en dus bij de biggen. Maar omdat het pad tussen de vijvers door in slechte staat verkeert, maken we een omtrekkende beweging en komen zo achter de behuizing.

Onder een breed uitgegroeide loofboom, die veel schaduw geeft, zie ik op afstand familie varken al. En ja, wàt een zeug hebben we toch. Breeduit liggend in de blubber geeft ze haar jongen te drinken. Je zou er zelf dorst van krijgen. Negen biggetjes in allerlei kleuren. Ééntje gaat er naar de eigenaar van de ‘geleende’ beer, vier biggen zijn voor Leon en Liesje voor al hun werk en vier blijven van ons. Als er tenminste niets dood gaat, zoals bij een eerder geval.

Tijdens onze bezichtiging komen ZijZij, het dochtertje van Liesje, en ook Liesje’s moeder. Een hartverwarmend weerzien. Ook met Bianca èn met Elfie, die ons al had zien rijden, en die het weerzien aangrijpt om Judy te zeggen hoe graag ze bij ons wil komen werken, nu Lies het af laat weten.

Judy vraagt me of dat oké is en ik knik toestemmend. Elfie vraagt wanneer te beginnen. Ik zeg: gisteren. Lachen. Ze begint de komende week, eerst afstemmen met Pinkie. Elk drie dagen per week.

We rijden voldaan terug naar huis, waar we meteen een groot glas koud water drinken en napraten. Dan valt me het stipkippennest in en ik ga even kijken, en yesss…. Er is een derde ei bijgekomen, opnieuw een volwaardig ei. Het is – getuige – nog steeds mei, haha.

Bij het werken aan m’n stamboom schieten de biggen weer in m’n gedachten en ik herinner me wat betovergrootvader Luitje Muda op zijn boerderij in Harkstede placht te zeggen bij warm weer. Een verzuchting, die decennia in de volksmond is blijven hangen.

Poeh, poeh, hou is’t mit de bigg’n,

ze bliev’n moar aaldeur ien’t binn’nhok ligg’n.

Toen ik me, beginjaren ’80, aan een collega uit Leeuwarden voorstelde, reageerde hij verbaasd: Muda? Muda? En declameerde bovenstaande met een grijns, denkende dat ik het wel zou kennen. Maar nee, hij léérde het me.

Als iemand me nú zou vragen of ik, stammend uit een boerengeslacht, boer ben, zou ik antwoorden: “IK heb 1 varken, 9 biggen, 6 parelhoenders, 4 honden en 5 katten, maar nee, boer ben ik niet. Ik hou het bij een B&B, ook al is die momenteel op slot, haha”.

Zaterdag, 9 mei 2020.

Half acht, Judy -na een snel koffie-ontbijt- motort naar Quezon, op jacht naar medicijnen. Ik hoor een tuut-tuut als ze verdwijnt. Ik zwaai niets ziend vanuit zee en dein gewoon door. Pas als mijn vingertoppen kreukelig zijn ga ik er uit, loop langs het stipkippennest en zie daar vier eitje liggen. Vier!

Ontbijt met twee bananen en een kommetje corn flakes met melk. Het leven is paradijselijk als pijnen verdwenen zijn.

En zeker als – rond elven al – Judy terugkomt met leeftocht èn overleeftocht bestaande uit tabletten met calcium, vitamine D3 + mineralen. Een voorraad voor twee maanden. Plus BonViva, ook voor mei en juni. We kunnen vooruit!

We drinken koud water, praten bij en doen de administratie. In haar mobieltje heeft Judy nog een foto, die ze gisteren maakte bij ons bezoek aan de biggetjes. In een kooi, gemaakt van hardplastic visnet of is het kippengaas, zit bij Liesje een jonge vogel, die in Nederland een beo wordt genoemd. Een praatvogel, dat wil zeggen, dat moet ie nog leren.

Bij Frans en Melly zag ik er jaren geleden ook een en bij Anna’s Canteen zit er eentje in een grote kooi, die enthousiast lawaai maakt en een eindje ‘met je meevliegt’ als je hem (of haar) voorbijloopt om naar het toilet te gaan.

Als we tijdens Happy Hour belcontact hebben met Melly en Frans in Amsterdam, vertellen ze ons dat hun terugvlucht naar Palawan – volgens de lockdownregels in NL – pas mag plaatsvinden drie maanden na hun eerder geplande reis.

Als dat ook voor mij geldt, dan zou ik in plaats van op 30-8 pas op 30-11 naar Palawan mogen terugvliegen. Nou, dat gaat gewoon niet, en meer en meer krijg ik de overtuiging dat ik maar niet moet gaan. Nog los van het feit dat ouderen worden afgeraden om niet alleen op reis te gaan.

Als Judy de foto van de Beo naar m’n notebook stuurt, krijg ik er een soort van ‘vreemde vogel-bonus’ bij. Ze moet lachen als ik het in haar bijzijn open maak. Ook ik lach, en dat is maar goed ook, want tijdens deze vreselijk lastige coronatijd is er maar weinig humor op straat.

Nu eindelijk eens een badgast bij Shaman’s Beach, die goed bij de tijd is en dus gekleed naar de laatste mode, haha. Zo mogen er meer komen…

Tot later, en een fijne zondag gewenst, Henk.