De kip zit erin….

Zaterdag, 25 september 2021.

Lemuel verlaat ons kamp en vliegt vanochtend vanuit Puerto naar Leyte. Na zijn vertrek plak ik nog gauw even drie veren op een papiertje. Voor een goede foto. Van links naar rechts: een veer van de Lori, de papegaai in de kooi, een veer van een Kingfisher (IJsvogel, strandvreter) en – onmiskenbaar – een veer van een Dingala, ofwel Stipkip, ofwel Parelhoender. Groenig, blauwig en zwart-wit.

Samen met Jeebee (ziek, dus patiënt)en Claire (begeleidster) gaan Judy (begeleidster en vakantieganger) en ik (vakantieganger) met Albert mee naar Quezon. In de top-down. De anderen gaan voor behandeling van Jeebee naar de dokter. Ik blijf wachten op de terminal tot Judy verschijnt. We nemen de RoRo-Bus naar Puerto en daar de bus richting Roxas. De conducteur van de bus weet al precies waar we er uit willen: het witte huis van Melly en Frans. Half vier zijn we daar.

Al niezend en snotterend, ik heb blijkbaar een echte verkoudheid opgelopen, worden we hartelijk ontvangen. Met een drankje, een uitgebreid diner en alle bijbehorende verhalen. Koffie na. Tot half negen hou ik het vol. Dan val ik om. In het mooie huis van Edwin staat ons hotelbed klaar. Als ik zó lig dat ik door m’n neus kan ademen ben ik in een mum vertrokken.

Zondag, 26 september 2021.

Mijn neus doet weer normaal, en ik probeer dat na te volgen. Na een goed ontbijt met havermoutsepap en koffie gaan Frans en ik een eindje wandelen. Naar het strand, daar linksaf, langs geparkeerde bangka’s, waarachter een blauwe zee tot aan de verre horizon, langs de rand van onbebouwde bush-bush, een verlaten kerkje, een ruïne hier, een bouwval daar. Tot we de jungle ‘doorsteken’, over gras, zand en watertjes naar de – achter al het groen verscholen – snelweg. Dan onder een brandende zon terug naar huis. Als we daar zijn: een ijskoude cola, en temet drijf ik in m’n t-shirt. Wisselen dus. Ik krijg een oranje (hoe kan het ook anders) shirt van Frans aangereikt. Daar mag ik mee op de foto, samen met twee prachtige giga-reuzenschelpen, die het balkon van Raymon opluisteren.

Melly en Judy zwerven gedurig door de tuin. Op zoek naar zaadjes en stekjes voor bij ons. Na de uitgebreide lunch, de vele verhalen en daarna de verstilde siësta, worden zaadjes en stekjes verzameld en klaargelegd voor ons vertrek morgenochtend.

De groep van twaalf stipkippen gaat om half zes naar hun kooi. Elf volgen gehoorzaam papa Frans, maar de twaalfde ligt dwars en weigert – hoe voorzichtig ook aangestuurd – naar binnen te gaan. Ik sta bij de deur om de binnen zijnde kippen te beletten om naar buiten te gaan en probeer nummer twaalf tegen te houden om door te lopen. Na lang proberen lukt het uiteindelijk, en we verzuchten: DE KIP ZIT ERIN…… Dat wordt de slogan van de rest van de dag.

Na het avondeten komt een wat oudere vrouw langs om te vertellen over haar gebrek aan eten voor haar, haar man (opa) en zoon. Na haar vertrek vult Melly een tupperware met gebakken rijst en kip. Raymon brengt het weg. Naar ‘opa’, die zijn grote vissers-vriend is.

Staat deze dag in het teken van wandelen, stekjes, zaadje en stipkippen, ook Yofil eist zijn deel. Gisteren in Riyad aangekomen en voor vijf dagen in quarantaine gegaan is er een constante stroom van chatberichten tussen hem en Judy. Op het toilet bij onze slaapkamer heeft ze een goed bereik en het lijkt of ik de nacht alleen doorbreng.

Maandag, 27 september 2021.

Zes uur op. Kwart voor zeven ontbijt. Half acht – na een roerend afscheid met HET WAREN TWEE GEWELDIGE DAGEN – zitten we in de eerste shuttle die langskomt. Dat betekent dat we vroeg in Puerto zijn en Judy reserveert bij Leonards’ een shuttle Puerto-Sawmill om twaalf uur.

Met de tricycle naar NCCC voor koffie en andere boodschappen. Dan naar Robinson voor wat ze bij NCCC niet hebben. En zo vertrekken we prompt om twaalf uur, met Hernandez als chauffeur en zeven stuks bagage naar Sawmill.

Als we daar over de brug van de Tagusao River rijden zien we het al: we kunnen niet over de Spillway. De rivier, die normaliter het karakter heeft van een brede sloot of een volgelopen gracht, is vandaag tot aan de boorden verzopen in een snelstromende ‘Muddy Waters’. Ik maak bij de brug een foto van het spektakel en haast me terug naar Judy, die al in een tricycle zit te wachten. Saddam brengt ons naar de Spillway. Aan de andere kant staat goeie ouwe Albert met de top-down te wachten op ons. Via de hangbrug werken Judy en ik ons naar de overkant. Albert, nooit te beroerd om te helpen, gaat heen en weer om onze bagage over te brengen.

Waar we bij de Spillway aan zijn gekomen gaat de weg vrij steil naar beneden en blijft de rivier binnen de oever. Aan de andere kant, waar Albert staat te wachten heeft de oever weinig hoogte en is ook ondergelopen. Albert zeult de bagage over de hangbrug en dan door de ondergelopen oever. Blote voeten, natte korte broek. Ik noem hem MY HERO, hij trots. Op de foto is de hangbrug niet te zien, maar die bevindt zich achter het linkse groen, nog geen meter boven het golvende water.

En zo komen we thuis. Half vijf. Wat een reis. Daar pakken we onze boodschappen uit. Traag van vermoeidheid. Als ik alsnog met Teddy ga lopen, die ons blij heeft begroet met bijkans vier poten, komen de stipkippen me achterna. De deur van de Green-house stond open en ze ontsnapten. Ik breng ze binnen en ook bij mij: één koppige kip , maar ook hier na een tijdje: DE KIP ZIT ERIN… Gelukkig. Daarna ga ik liggen. Zes uur wordt het en ik sta weer op. Ik hoef niet nog te eten en we drinken – uniek – slechts één biertje. En dan weer naar bed. De verkoudheid is voorbij, maar het is blijkbaar nog wel bijkomen. Moe en slapen. Kapot.